De Staat aansprakelijk voor schade wegens (onjuist) Bibob-advies

Onlangs heeft de Hoge Raad uitgesproken dat de Staat (het Landelijk Bureau Bibob in dit geval) onrechtmatig kan handelen jegens degene op wie het Bibob-advies betrekking heeft en de schade die daaruit voortvloeit dient te vergoeden.

Het ging in deze kwestie om een advies van het LBB aan een bestuursorgaan in verband met het aanvragen van een vergunning ten behoeve van het exploiteren van een prostitutie-inrichting. De conclusie van het advies was dat er een ernstige mate van gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daarbij werd gerefereerd aan vermoedelijke betrokkenheid van de betreffende partij bij vrouwenhandel, illegaal wapenbezit en belastingontduiking.

Naar achteraf bleek is bij de bestuursrechter in hoogste instantie (de Raad van State) geoordeeld dat het advies van het LBB onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in de Wet Bibob en het advies daarom niet aan het besluit tot het intrekken van de vergunningen ten grondslag had mogen worden gelegd.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State heeft de benadeelde een civiele claim ingediend, welke tot aan de Hoge Raad is uitgeprocedeerd. De Hoge Raad komt tot 3 conclusies.

In de eerste plaats oordeelt de Hoge Raad dat er voor het aannemen van een onrechtmatige daad van de Staat in een geval als het onderhavige geen andere maatstaven gelden dan die welke normaal gesproken van toepassing zijn bij een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Dat houdt in dat indien het LBB bij het opstellen van haar advies haar zorgplicht heeft geschonden, de staat in beginsel aansprakelijk is voor de schade die betrokkenen daarvan hebben geleden.

In de tweede plaats heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling van het noodzakelijke causale verband niet beslissend is of de gestelde schade mede een gevolg is van het handelen van de burgemeester als bestuursorgaan.

Als laatste, maar niet minder belangrijk, heeft de Hoge Raad uitgesproken dat de wettelijke verplichting tot schadevergoeding als bedoeld in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (6:162) geen aanknopingspunt biedt om aan te nemen dat de schadevergoedingsplicht van de Staat zou vervallen op de grond dat de gemeente reeds de proceskosten aan de benadeelde heeft moeten vergoeden in de bestuursrechtelijke procedure tot aan de Raad van State op grond van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. De Hoge Raad geeft aan dat met deze bepaling weliswaar is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, maar dat dat een oordeel in het door partijen aan de bestuursrechter voorgelegde geschil betreft. De bepaling houdt niet in dat een procespartij haar aanspraak op schadevergoeding jegens een hoofdelijk aansprakelijke derde, die geen partij is in het aan de bestuursrechter voorgelegde geschil (het LBB, de Staat), niet meer zou kunnen effectueren indien de bestuursrechter de wederpartij in de kosten heeft veroordeeld.

De conclusie is dan ook dat voor zover het Landelijk Bureau Bibob bij het opstellen van haar advies haar zorgplicht heeft geschonden dan wel op andere wijze onrechtmatig heeft gehandeld, de Staat voor dat handelen aansprakelijk kan worden gesteld, en schadevergoeding kan worden geëist, naast de vergoeding van de proceskosten die de benadeelde heeft ontvangen in de bestuursrechtelijke procedure. 

Onze Bibob-experts

Neem contact op met Raoul Meester
Meester Advocaten Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 meester@meesteradvocaten.nl
Neem contact op met Kenny van der Hoeven
Advocaat Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 vanderhoeven@meesteradvocaten