Raad van State: intrekking exploitatievergunning coffeeshop niet proportioneel

Onlangs heeft de Raad van State een uitspraak van de rechtbank waarin geoordeeld werd dat het bestuursorgaan ten onrechte de vergunning heeft ingetrokken vanwege een negatief Bibob-advies bevestigd. In deze kwestie ging het om een coffeeshop waarbij onder andere structureel de Opiumwet werd overtreden door het buiten de coffeeshop aanhouden van een voorraad softdrugs die het gedoogde maximum van 500 gram overschrijdt.

De rechtbank heeft dit besluit vernietigd omdat gelet op artikel 3 lid 5 van de Wet bibob de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom het belang van de handhaving van de wettelijke voorschriften, het belang van een integere bedrijfsvoering en de bescherming van de openbare orde en veiligheid zwaarder wegen dan het belang van de coffeeshophouder bij de exploitatie van zijn zaak. Daarbij merkte de rechtbank op dat het mogelijk is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden zodat voorkomen kan worden dat een voorraad van meer dan 500 gram wordt aangehouden.

Opmerkelijk is dat de door de rechtbank uitgevoerde proportionaliteitstoets niet de toets is conform artikel 3 lid 5 Bibob waarbij getoetst wordt of de weigering/intrekking van de vergunning evenredig is met de mate van gevaar (a-grond) en, ingeval van de b-grond, de weigering/intrekking van de vergunning evenredig is met de ernst van de strafbare feiten. De door de rechtbank uitgevoerde proportionaliteitstoets ziet immers veeleer op de afweging van het belang van de exploitant bij de vergunning en het belang van handhaving van de wettelijke voorschriften en de bescherming van de openbare orde.

Voorts werd van belang geacht dat de burgemeester het intrekkingsbesluit van 6 maart 2012 niet geƫffectueerd had (niet tot daadwerkelijke sluiting van de zaak is overgegaan) en na die datum ook geen controles heeft verricht naar de voorraden softdrugs. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester onder die omstandigheden in redelijkheid de exploitatievergunning niet kon intrekken dan wel weigeren.

De rechtbank ging daarbij zo ver dat deze besloot zelf in de zaak te voorzien en bepaalde dat de coffeeshophouder een exploitatievergunning werd verleend.

De Raad van State oordeelde in deze kwestie eveneens dat in de uitspraak van de rechtbank het oordeel besloten lag dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt gesteld had dat sprake was van een ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob. De bevoegdheid tot intrekking/weigering van de exploitatievergunning is echter slechts indien van een dergelijk gevaar sprake is.

Deze uitspraak is onder andere interessant omdat de proportionaliteitstoets kennelijk relatief veel rechtsbescherming biedt en de rechtbank de proportionaliteit indringend toetst. Tot heden werd in uitspraken inzake de Wet Bibob de proportionaliteitstoets weinig inhoudelijk getoetst. Deze uitspraak lijkt wat dat betreft een andere richting uit te wijzen.

Onze Bibob-experts

Neem contact op met Raoul Meester
Meester Advocaten Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 meester@meesteradvocaten.nl
Neem contact op met Kenny van der Hoeven
Advocaat Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 vanderhoeven@meesteradvocaten