Wet Bibob en de "achterdeurproblematiek"

Het lijkt een tendens dat gemeenten vaker proberen om de Wet Bibob toe te passen op coffeeshops en daarbij tevens trachten de zogenaamde achterdeurproblematiek (de inkoop van softdrugs) mee te nemen. Daarbij zijn voorbeelden bekend waarbij ook het Landelijk Bureau Bibob (LBB) constateringen in het kader van deze achterdeurproblematiek in haar overwegingen meeneemt. De vraag of dat juist is mag zeker worden gesteld.

Coffeeshops beschikken in de praktijk veelal over een gedoogbeschikking en een exploitatievergunning. De betreffende gemeente is zich terdege bewust van de aard van de bedrijfsvoering, inclusief de alom bekende achterdeurproblematiek.

Doordat coffeeshops moeten voldoen aan de AHOJG-criteria, waaronder de plicht om niet meer dan 500 gram softdrugs in de inrichting aanwezig te hebben, zijn bijna alle coffeeshops genoodzaakt zich gedurende de dag meerdere malen van aanvulling van de voorraad softdrugs te laten voorzien. Deze voorraad komt niet uit de lucht vallen maar dient uiteraard te worden ingekocht. Formeel is die inkoop evenwel niet toegestaan.

Strikt genomen kan worden gesteld dat het enkel toestaan van één handelshoeveelheid van 500 gram softdrugs een misdrijf oplevert, maar dat terzijde.

Uit tal van (strafrechtelijke) procedures kan worden afgeleid dat coffeeshops in de praktijk genoodzaakt zijn om (elders, buiten de coffeeshop) een bedrijfsvoorraad van voldoende omvang bij te houden om de bevoorrading van de coffeeshop voldoende te waarborgen.

Indien deze bedrijfsvoorraad door de politie wordt aangetroffen volgt er in de praktijk in de meeste gevallen geen strafrechtelijk vervolg, of hooguit een bewezenverklaring zonder oplegging van straf.

Strafrechtelijk is meerdere malen geprocedeerd over dit onderwerp. Zo onder meer door Gerard Spong, die ook een boek over dit onderwerp heeft geschreven genaamd 'De hypocrisie  van de achterdeur'. In zijn strafzaak stond daarbij centraal het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, maar ook uitlokking.

Hoewel het gerechtshof mr. Spong in eerste instantie gelijk gaf (waarbij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard), heeft de Hoge Raad de argumenten van mr. Spong niet gevolgd. Kort gezegd meende de Hoge Raad dat er door het Openbaar Ministerie c.q. de Rijksoverheid nimmer een vertrouwen was opgewekt maar dit vertrouwen door de burgemeester was opgewekt dat er niet handhavend zou worden opgetreden. Hoewel strafrechtelijk (enig) begrip voor deze redenering kan zijn, kan worden gesteld dat deze redenering van de Hoge Raad bestuursrechtelijk niet op gaat.

Bestuursrechtelijk is immers sprake van een situatie waarin de burgemeester de softdrugsexploitatie actief gedoogd en diezelfde burgemeester aan de hand van de Wet Bibob tracht de exploitatievergunning wegens diezelfde "achterdeurproblematiek"’ te handhaven.

De voorlopige conclusie lijkt dan ook dat de argumenten van mr. Spong, zoals aangehaald in zijn strafrechtelijke zaak, kans van slagen zouden kunnen hebben in een bestuursrechtelijke procedure indien een coffeeshop op grond van de Wet Bibob de exploitatievergunning wordt ontnomen (louter) op basis van de "achterdeurproblematiek’". Op dit moment lijkt nog geen jurisprudentie op dit punt te zijn ontwikkeld.

Onze Bibob-experts

Neem contact op met Raoul Meester
Meester Advocaten Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 meester@meesteradvocaten.nl
Neem contact op met Kenny van der Hoeven
Advocaat Foeliestraat 18 1011 TM Amsterdam
t: +31 (0)20-409 55 55 f: +31 (0)20-409 54 44 vanderhoeven@meesteradvocaten